‘Een sociale ontmoetingsplek, dat was onze slagerij eigenlijk’

‘Een sociale ontmoetingsplek, dat was onze slagerij eigenlijk’

Het leven is soms droevig. Dus ook krantenverhalen zijn soms droevig. In Moordrecht overleed een echte dorpsslager, Jan Otterspeer. Omdat hij een man was die iedereen in het dorp wel kende, vond ik het verhaal dat zijn vrouw en dochter mij vertelden de moeite waard voor de krant. Een echt dorpsverhaal.

 

foto 1: Elly Otterspeer en haar dochter Margo, voor de winkel van Jan en Elly. De slagerij moest noodgedwongen dicht nadat Jan in november een herseninfarct kreeg. Jan en Elly hadden de winkel 35 jaar.

foto 2: Jan Otterspeer in zijn juist geopende winkel. Deze foto is gemaakt omstreeks 1975.

Laatste slager van Moordrecht moest vanwege herseninfarct winkel vroegtijdig sluiten

‘Een sociale ontmoetingsplek, dat was onze slagerij eigenlijk’
MOORDRECHT – Het leek een gewone werkdag te worden zoals slager Jan Otterspeer uit Moordrecht die al zo’n 35 jaar beleefde in zijn slagerij. Het is 10 november 2009, een normale dinsdag als altijd. Echtgenote Elly stond achter de toonbank in de winkel aan de Dorpsstraat, slager Jan was achter de winkel vlees aan het bereiden. Gezellig als altijd, de meeste klanten kwamen niet alleen voor het vlees, maar vooral voor een praatje in de winkel. “Marc van Raay van vroeger Villa Floor was toevallig net even aan het buurten,” weet Elly nog. “We gingen hier aan tafel koffie drinken, toen Jan ineens z’n koffie omstootte, naar voren viel en een soort snurkgeluiden begon te maken. Z’n gezicht trok helemaal scheef. Ik wist meteen: dit is niet goed…”

In paniek belde Marc 112 en rende naar de dokterswoning, even verderop in de Dorpsstraat. “Ik hield met één hand Jan vast en met mijn andere hand belde ik onze dochter Margo,” herinnert Elly zich dat hachelijke moment. Slager Jan had een herseninfarct gehad, zoveel werd snel duidelijk in de ambulance naar het Bleulandziekenhuis. Vanaf dat moment kwam de familie Otterspeer in een achtbaan van emoties terecht. Elly: “De eerste drie dagen moesten we met het ergste rekening houden. Hij lag in kritieke toestand in het ziekenhuis. De eerste week is hij heel, heel ziek geweest.”

Elly en haar dochter Margo hebben geen goede herinneringen aan het ziekenhuis. Margo: “Ze hebben veel fouten gemaakt. Hij lag twee dagen te happen naar adem. Wij zeiden: heeft hij een longontsteking? Maar dat was volgens hun niet zo. Z’n bloeddruk was iets te laag, zeiden ze. Maar ze hadden maar aan één kant gemeten. Aan de andere kant was ‘ie veel te hoog! Wij stelden allerlei vragen, maar ze vonden ons zeurpieten. Maar ja: je hebt een ziekenhuis niet voor het uitzoeken. Je bent gewoon aan ze overgeleverd. Ja, het is natuurlijk mensenwerk, maar je wil zoiets echt niet meemaken. Ik weet wel dat over elk ziekenhuis zulke verhalen de ronde doen, maar toch.”

Huilende klanten
Na het dramatische moment was de winkel uiteraard even dicht, een briefje achter het raam informeerde de klanten. Al snel wisten de meeste vaste klanten wat er was gebeurd. “Na twee dagen hebben we de winkel een dagje open gedaan, om de voorraad te verkopen en daarna zijn we weer twee weken dicht gegaan. Dan merk je meteen hoe de klanten meeleven. Klanten stonden te huilen in de winkel, vooral de oudjes, die hier jaren in de winkel kwamen. Ze gaan de praatjes missen. Je kent toch iedereen, zowat,” zegt Elly.

Vijf weken lang lag Jan in het ziekenhuis, half verlamd. Langzaam krabbelde hij weer op, figuurlijk. “Hij is heel sterk, ik denk dat ‘ie er daarom weer een beetje bovenop is gekomen. Hij heeft altijd zo hard gewerkt. Hij klaagde de laatste tijd weleens dat ‘ie moe was en dat ‘ie een zere schouder had. We dachten dat het kwam omdat hij ooit toen het glad was van het trappetje was gevallen. Achteraf gezien zat het verkeerd in de ader die van zijn schouders naar zijn nek loopt. Hij wilde nooit naar de dokter. Hij had ook slaap-apneu. Dan stop je soms tijdens je slaap een poosje met ademen. Eigenlijk moest hij daarvoor een masker met zuurstof op. Maar dan zei hij: ‘Je denkt toch niet dat ik met een masker op bed ga leggen?’ Ja, zo is hij.” Achteraf denk je: had ‘ie maar naar de dokter gegaan.”

Verpleeghuis
Daarna is hij half december overgebracht naar het verpleeghuis Bloemendaal in Gouda, waar hij nog altijd is voor revalidatie. “Het allermoeilijkste is dat hij nog steeds niet kan praten. Al sinds november heeft hij nog niets kunnen zeggen. Dat is natuurlijk hartstikke moeilijk, want hij is altijd een gezelligheidsmens geweest. Hij is er heel verdrietig om geweest dat we de winkel niet samen hebben kunnen afsluiten, dat merk je gewoon aan hem. Op de laatste dag dat de winkel open was, op 31 december, hebben we hier video-opnamen gemaakt. En op 1 januari hebben we gefilmd toen hier achter de Nieuwjaarsduik werd gehouden. Die film hebben we op de computer van onze zoon aan hem laten zien. Je zag toen aan hem dat het hem heel veel deed, maar hij kan niet uiten wat hij denkt. Ik kan niks met hem bespreken, dat maakt het zo akelig. Die laatste dag, dat was een moeilijke dag. Gewoon door het afscheid. Je hebt toch een bepaalde band met de klanten. En natuurlijk het emotionele dat Jan er niet bij kon zijn. Het is toch zijn levenswerk geweest. Je weet dat het een keer stopt, maar je hoopt dat toch op een andere manier te doen.”

“We zouden eigenlijk over een jaar, anderhalf jaar met de winkel stoppen, omdat hij met pensioen zou gaan. We waren eigenlijk al een beetje aan het afbouwen. Ik heb twee jaar geleden mijn heup gebroken, daarna gingen we op dinsdagmiddagen dicht. Later gingen we nog wat middagen dicht, omdat we die middagen meer aan het praten waren met klanten dan dat we wat verkochten. Een sociale ontmoetingsplek, dat was onze slagerij eigenlijk. En dan gebeurt ineens zoiets, totaal onverwacht. Het is moeilijk om hem nu in zo’n verpleeghuis te zien. In eerste instantie mochten we van de artsen niets tegen hem zeggen over de winkel, dat zou te moeilijk zijn. Maar er komt steeds veel bezoek langs en we wilden ook weer niet dat hij het van een ander zou horen en dat hij dan denkt dat we dingen voor hem verzwijgen. Natuurlijk weet hij wat er allemaal gebeurt, maar dat je niet kan overleggen, dat maakt het zwaar.”

Emotioneel
“Een hoop mensen hebben hem al bezocht in het ziekenhuis en verpleeghuis. Maar ik moet het nu een beetje gaan afhouden, want het is te druk voor hem. Ik wil daarom wel dat mensen het vantevoren even zeggen als ze langs willen gaan. Hij is nu iets sterker aan het worden, maar het is nog niet veel. We moeten positief blijven, ook voor hem, maar het valt allemaal niet mee. Van een fysiotherapeut krijgt hij les om weer een beetje te leren lopen, met zo’n brug enzo. Dat gaat best aardig, want dat wil Jan ook echt. En die leraar is een heel aardige kerel. Praten gaat nog niet, een logopedist is daar mee bezig. Maar dat gaat nog niet goed. En als het dan niet lukt, geeft Jan het op. De laatste drie weken is hij vaak heel emotioneel.”

“Als het kan, wil ik hem naar huis halen, want dit is echt zijn plekkie. Hij heeft altijd gezegd dat hij hier wil blijven wonen langs de IJssel, ook als we de winkel dicht hadden gedaan. Er zijn al twee gegadigden geweest, maar wij willen hier blijven wonen en als je een winkel hebt moet je van het hele pand gebruik maken. We hebben nu echt nog geen idee hoe lang het duurt voordat hij weer naar huis kan. Ze kunnen er nog niets over zeggen. Het kan soms wel een jaar duren. Als hij dan terug komt, moeten er wel wat aanpassingen komen in huis.”

KADER:

Otterspeer senior en junior, ruim 55 jaar slagers in Moordrecht
Slager Jan Otterspeer senior kwam in 1954 naar Moordrecht toe, vanuit Ouderkerk. “Hij nam hier de slager over van Overeijnder, die hier zat vanaf 1904. Voor die tijd was het een bakkerij,” weet Elly. “Maar het pand stond er al veel langer. In de kelder zijn nog tegeltjes uit de zestiende eeuw gevonden. Een paar had Aad de Wit er gevonden, die hangen nu hier in de huiskamer. In die kelder werd vroeger nog het vlees gepekeld.”

“De vader van Jan is hier dus in ’54 begonnen. Dat was in hetzelfde jaar als bakker Van Meeteren vanuit Ouderkerk hier naar de Dorpsstraat kwam. Ik was er toen natuurlijk nog niet bij. Mijn Jan was toen acht. Hij is hier dus in de slagerij opgegroeid. In het begin woonde mevrouw Overeijnder hier nog, met haar knecht. En dus het hele gezin Otterspeer erbij. De hele familie moest helpen met de slagerij, z’n broer en z’n zus ook. Eén broer moest er niets van hebben.”

“Jan en ik hebben elkaar in de kroeg ontmoet, hier verderop in Het Posthuis,” zegt Elly, van wie de meisjesnaam Doornenbal is. “Ik ben een echte geboren en getogen Moordrechtse, hoewel ik uit de polder kom. Mijn vader was boer vlakbij ’t Weegje, aan de Noordringdijk. Die boerderij is allang gesloopt, daar is nu een industrieterrein aangelegd. Jan en ik zijn in 1968 getrouwd en zijn toen in de Kuyperstraat gaan wonen.”

“Ik ging in de slagerij werken. In 1974 heeft Jan de slagerij van zijn vader overgenomen en zijn wij hier bij de winkel komen wonen. In die tijd waren er in het dorp nog drie slagers. Op de Kerklaan, verder op de Dorpsstraat zat Spijkerman en wij hier. 35 jaar hebben Jan en ik samengewerkt en dat ging goed. Natuurlijk hadden we wel eens woordenwisselingen, maar dat was altijd over het werk. Jan heeft dag en nacht gewerkt. De eerste tien jaar begon ‘ie om half acht ’s ochtends en ging hij tot elf, twaalf uur ’s avonds door. Jan was niet van het ’s ochtends heel vroeg beginnen, hij ging liever ’s avonds door. Na tien jaar hebben we dat een beetje weten in te perken.”

“Jan was een echte ambachtelijke slager, hij maakte zelf worst. Dat was ook waar de mensen voor kwamen: voor het eigengemaakte vlees. Zelf slachten hebben we hier nooit gedaan. Zijn vader, mijn schoonvader dus, heeft nog wel zelf geslacht, maar dat gebeurde in Gouderak, bij Van den Heuvel op de Dorpsstraat. Dan gingen die beesten met het pontje over. Later ging hij nog even met zijn broer slachten, die slager is in Boskoop. Tegenwoordig mag zelf slachten niet meer, dan moet je aan zoveel regeltjes voldoen. Voor een kleine slager is dat niet meer te doen. Jan zei wel eens: ‘Ik ben eigenlijk geen echte slager meer. Ik krijg het vlees al uitgebeend aangeleverd.’ Ja, alleen de karbonaden kon je zelf nog hakken. Dat vond hij jammer, omdat het echte slagersvak er eigenlijk uit gaat. Het is niet meer rendabel.”

“De laatste tien jaar merkten we ook dat de omzet steeds minder werd, dat kwam door de opkomst van de supermarkten. Dat na ons de slagerij niet meer zou bestaan, dat wisten we ook al. We hebben onze kinderen nooit verplicht in de slagerij te werken. En dat wilden ze zelf ook niet: de kinderen zagen dat je veel te hard moest werken, haha.”
“We hebben altijd veel aanloop gehad, er kwamen altijd wel mensen achterom om een bakkie te doen.”